Leena Kalinda Jaarsveld
Inhoudsopgave
Inleiding
I EERSTE PERIODE VAN DIPLOMATIEKE BETREKKINGEN
1.1 Binnenlandse politiek
1.2 Economische beleid
1.3 Buitenlandse politiek
1.4 De Nieuwe Wereld
1.5 Mexico
1.6 Bilaterale betrekkingen
II TWEEDE PERIODE VAN DE DIPLOMATIEKE BETREKKINGEN
2.1 Binnenlandse politiek
2.2 Buitenlandse politiek
2.3 Economisch beleid
2.4 Mexico
2.5 Bilaterale betrekkingen
III DERDE PERIODE VAN DIPLOMATIEKE BETREKKINGEN
Bronnen
Inleiding
Tijdens het staatsbezoek van de Mexicaanse president Fox op 27 januari zei koningin Beatrix: “Het is een groot voorrecht met zo’n land vriendschappelijke betrekkingen te onderhouden[1]”.
De bilaterale betrekkingen met Mexico kennen een lange geschiedenis. Aan het begin van de negentiende eeuw kwamen de contacten tussen de twee landen tot stand. Het Spaanse koloniale rijk in de Nieuwe Wereld viel uit elkaar, een van de nieuwe staten was Mexico. De afscheiding van Spanje vond plaats op 24 augustus 1821 toen Spanje gedwongen werd het verdrag van Cordoba te tekenen. De koloniale banden met het moederland werden definitief doorbroken. In deze periode kwamen de eerste contacten tussen de Mexicaanse Republiek en Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden tot stand. Het juist samengevoegde Koninkrijk der Nederlanden toonde veel interesse in Mexico. De onafhankelijkheid van Mexico maakte het voor Nederland mogelijk diplomatieke betrekkingen aan te knopen en consulaire posten te openen.
In deze geschiedenis van diplomatieke betrekkingen zijn drie periodes te onderscheiden. Tussen 1826 en 1834 was er sprake van wederzijdse diplomatieke vertegenwoordiging. Diplomatieke betrekkingen werden daarna verbroken tot 1864 toen er sprake was van eenzijdige vertegenwoordiging in Nederland. Echter, in 1867 werden de betrekkingen wederom verbroken. Vanaf 1899 werden de diplomatieke betrekkingen tussen beide landen hersteld. Naar aanleiding van het aanknopen en vervolgens verbreken van de diplomatieke betrekkingen, rees de vraag naar de rol die het Nederlandse vorstenhuis heeft gespeeld in het onderhouden van contacten met Mexico. Het onderzoek geeft een breed overzicht van de geschiedenis van de bilaterale betrekkingen tussen Nederland en Mexico door de eeuwen heen. Omdat dit een erg lange periode bestrijkt, en er gedetailleerd archiefmateriaal bestaat, heb ik besloten de rol van het Nederlandse koningshuis als leidraad te gebruiken. Centraal in mijn onderzoek staan de initiatieven die door het Nederlandse koningshuis werden genomen om toenadering tussen de twee landen te bewerkstelligen.
Het Nederlandse koningshuis heeft een belangrijke rol gespeeld in het tot stand komen van de bilaterale betrekkingen tussen Het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Mexico.
In Hoofdstuk 1 wordt beschreven hoe de eerste periode van diplomatieke betrekkingen van 1828 tot 1834, is verlopen. Het breken met de Franse overheersers en het ontstaan van het Koninkrijk der Nederlanden speelt een belangrijke rol. Koning Willem I werd het centrum van de bestuurlijke macht. Door zijn toedoen ontstaan de eerste contacten die uiteindelijk resulteren in wederzijdse diplomatieke vertegenwoordiging in Nederland en Mexico.
Hoofdstuk 2 beslaat de periode waarin koning Willem III staatshoofd was. In deze periode vond ook de tweede periode van diplomatieke betrekkingen plaats van 1864 tot 1867. Er was sprake van een eenzijdige vertegenwoordiging, met een Mexicaanse zaakgelastigde te Brussel. Na het beëindigen van de diplomatieke betrekkingen werd voor de tweede maal de betrekkingen teruggebracht tot consulair niveau.
Hoofdstuk 3 gaat over de laatste en tot nu toe onafgebroken periode van diplomatieke betrekkingen tussen de twee landen. Het hoofdstuk begint in de negentiende eeuw bij de eerste pogingen de diplomatieke betrekkingen weer te herstellen.
Dit onderzoeksrapport is tot stand gekomen op basis van secundaire literatuur en primaire bronnen. Veel van het bronnenmateriaal is afkomstig uit de archieven van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De meeste archiefstukken bevinden zich nu bij het Nationaal Archief.
Een moeilijke bijkomstigheid was het feit dat een deel van de archieven van de Nederlandse ambassade te Mexico-Stad verloren zijn gegaan. Dit gebeurde doordat de kanselarij in 1955 zou gaan verhuizen. De ambassadeur in Mexico besloot tot uitdunning van de archieven. Vooruitlopend op de instructies uit Den Haag was men op de kanselarij al overgegaan tot vernietiging van stukken. De vernietigde dossiers waren ouder dan dertig jaar. Hierdoor is dus veel informatie verloren gegaan, desalniettemin is het gelukt een volwaardig beeld te schetsen van de historische ontwikkeling van de bilaterale betrekkingen.
I EERSTE PERIODE VAN DIPLOMATIEKE BETREKKINGEN
Op 17 november 1813 werd in Den Haag de onafhankelijkheid uitgeroepen, de Franse soevereiniteit werd niet langer erkend. Vanaf 1795 had Napoleon een Franse overheersing in Nederland weten te vestigen. De leider van de Nederlandse opstand tegen de Fransen was Gijsbert Karel van Hoogendorp. Deze proclamatie vond plaats nog voor het Franse leger door de Pruisische troepen uit de Bataafse Republiek was verdreven. Des te bijzonderder was het feit dat Willem aan het hoofd van de nieuwe regering werd geplaatst. Hij was de zoon van de naar Engeland gevluchte stadhouder Willem V. Op het moment van de proclamatie bevond hij zich echter nog in Engeland. Het Nederlandse volk wilde een Oranje vorst als leider. Willem I werd gezien als het symbool van de nieuwe onafhankelijkheid. Tot zijn verbazing werd hij zelf het centrum van de bestuurlijke macht. De oude structuur, waarin zijn vader met beperktere macht had geregeerd, werd niet hersteld[2].
Van Hoogendorp speelde een belangrijke rol bij het toekennen van zoveel macht aan de stadhouder. Hij was de ontwerper van de nieuwe grondwet van december 1813. Het lukte hem zijn persoonlijke voorkeur voor een koningshuis te realiseren. De monarchale structuur werd geïnstitutionaliseerd in de nieuwe grondwet. Volgens hem speelde de constitutionele monarchie een belangrijke rol in het streven naar centralisatie. Het centralistische systeem uit de Bataafse Republiek werd gehandhaafd, maar met een belangrijke rol daarin voor koning Willem I.
De grondwetscommissie had geen gezamenlijke visie. Uiteindelijk werd de grondwet zo geformuleerd dat er veel ruimte werd gecreëerd voor het persoonlijke bewind van de koning.
Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
Het samenvoegen van Nederland, België en het Hertogdom Luxemburg tot een Verenigd Koninkrijk was het resultaat van het Congres van Wenen. De grote mogendheden wilden voorkomen dat Frankrijk ooit weer zo sterk zou kunnen worden. Het creëren van een krachtige staat ten Noorden van Frankrijk werd dan ook gezien als essentieel. Het was vooral Groot-Brittannië dat een krachtige buffer in het noorden wilde creëren. Groot-Brittannië was zelfs zo overtuigd van de noodzaak van een sterke Noordelijke staat, dat het een groot deel van de op de Bataafse Republiek veroverde koloniën terug gaf aan het koninkrijk. Dit alles om eraan bij te dragen dat het nieuwe rijk een goede kans van slagen had om een krachtige staat te worden. De Europese mogendheden tekenden op 21 juni 1814 een protocol waarin werd besloten dat België en Nederland en Luxemburg verenigd zouden worden.
Koning Willem I
Willem I werd aan het hoofd geplaatst van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. Hij koesterde al een lange tijd de wens heerser te zijn van een groot rijk. Bij het opstellen van de grondwet in 1813, was al rekening gehouden met de eventuele bijvoeging van België. België zou een gelijkwaardig deel van het Koninkrijk worden, met gelijke representatie in de Staten-Generaal. Willem I werd op 16 maart 1815 in Brussel gekroond, en kreeg de titel: ‘Koning der Nederlanden’. Op aandringen van België werd de Staten-Generaal omgevormd in de Eerste en Tweede Kamer. De Eerste Kamer stond boven de Tweede Kamer en haar leden werden door de koning benoemd. Deze verandering versterkte de positie van de vorst in het Verenigde Koninkrijk.
Willem I wordt wel als een laat verlicht despoot gekarakteriseerd, eigenwijs, snel gekwetst en makkelijk ontvlambaar. Maar hij was ook een intelligente en harde werker: een burgerkoning. Hij verkreeg dan ook als snel de naam ‘Handelskoning’ en ‘Koningzakenman’. Willem vond het moeilijk om taken af te staan en nam het liefst alle beslissingen zelf. De ministers zag hij als zijn dienaren, die hij kon aannemen en ontslaan op eigen gezag. De Ministerraad had geen bevoegdheid tot het nemen van besluiten. De Eerste en Tweede Kamer konden slechts de koning ter verantwoording roepen. Wel was zijn macht ingeperkt, de wetgeving was zo geregeld dat de Tweede Kamer haar goedkeuring moest geven voor voorstellen van de koning. Willem I wist dit te omzeilen door het nemen van zogenaamde ‘Koninklijke Besluiten’. De vorst bepaalde zodoende zelf het algemeen te voeren beleid.[3]
Willem trachtte een stabiele eenheidspolitiek ten uitvoer te brengen. Zijn beleid was gebaseerd op het Franse beleid ten tijde van de Bataafse Republiek. Het centralistische systeem brak met de federale tradities uit de tijd van de Republiek der Zeven Provinciën. De industrieën in het Zuidelijke deel van de Nederlanden werden met succes ontwikkeld. De vereniging met België en Luxemburg leverde Nederland steenkool en ijzererts op. De metaalindustrie vormde een goede aanvulling. Het doel was de zuidelijke producten te laten aansluiten op de vraag die er in het noorden bestond. Zodoende kon de ontwikkeling van de zuidelijke industrieën de handel en scheepvaart in het Noorden bevorderen. In het midden van de jaren twintig werd de Groot-Nederlandse staat dan ook gekenmerkt door een optimistische houding. Men verwachte een gestage vooruitgang die het land een goede toekomst zou brengen[4].
De twijfel die er in de beginperiode heerste over de levensvatbaarheid van een Verenigd Koninkrijk verdween al snel. In beide delen van het Koninkrijk werd de Nederlands-Belgische eenheid eerst met scepsis bekeken. Vooral de Amsterdamse handelaren vreesden de concurrentie van de Antwerpse haven. Het lukte om een sterke economie te vormen waarin de belangen van Noord en Zuid konden worden verenigd. Zo ontstond een gevoel van nationale eenheid binnen het Koninkrijk der Nederlanden[5].
Willem was van mening dat zijn Koninkrijk een sterke positie kon bemachtigen op het wereldtoneel. De Noordelijke Nederlanden hadden veel handelscontacten en de koloniën zorgden voor de aanvoer van grondstoffen. De Zuidelijke Nederlanden boden het Koninkrijk industriële mogelijkheden. Het rijk bezat een groot nationaal vermogen, een sterke vloot en een verscheidenheid aan nijverheden.
De Noordnederlanders waren erg positief over de toekomst van het Verenigd Koninkrijk. In hun ogen waren ‘de Verenigde Nederlanden welvarender, krachtiger en gezonder dan ooit de oude Republiek was geweest[6]’.
1.3 Buitenlandse politiek
Tijdens deze periode was Johan Gijsbert baron Verstolk van Soelen, minister van Buitenlandse Zaken. Hij heeft veel invloed gehad op het Nederlandse beleid omdat hij ongekend lang de ministerpost heeft mogen bekleden, namelijk van 1 december 1825 tot 13 september 1841[7]. Verstolk hechtte grote waarde aan een strikte neutraliteitspolitiek. Hij adviseerde de koning dan ook geregeld om zich niet te mengen in de zaken die gevoelig lagen bij de grote mogendheden. Europa werd beheerst door vijf grote mogendheden: Frankrijk, Groot-Brittannië, Pruisen, Rusland, Oostenrijk-Hongarije. Zij bepaalden tot op grote hoogte de wereldpolitiek. Het was in het belang van de jonge staat zich afzijdig te houden en niet betrokken te raken bij gevoelige kwesties. Het Verenigd Koninkrijk was door hun toedoen tot stand gekomen en had daardoor zijn bestaan aan hen te danken. Wrijving op het internationale vlak moest ten allen tijde worden vermeden. De grote overzeese bezittingen maakten de Nederlanden extra kwetsbaar.
De vorst had een andere opinie over het te voeren buitenlandse beleid. Het Koninkrijk moest juist doordat het gecreëerd was door de grootmachten, zelfstandigheid en zekerheid uitstralen. Een eigen gekozen beleid moest worden uitgedragen, onafhankelijk van de mogendheden[8].
De Nederlanden moesten de Grote Alliantie duidelijk maken dat het Koninkrijk ook gerekend moest worden tot de Europese grootmachten. De Nederlanden waren dankzij hun koloniale bezittingen en de groeiende economie een sterke natie. Na de teruggave van hun koloniën door Groot-Brittannië, waren zij weer het één na grootste koloniale rijk ter wereld[9]. De industrieën van het Zuiden en de handel in het Noorden vormden samen een volwaardige economie. Het Koninkrijk der Nederlanden was een land dat zeker op gelijke voet stond met een grootmacht als Pruisen[10].
De jonge staat zag zichzelf geconfronteerd met een groot probleem. De Europese mogendheden beschouwden het Koninkrijk als hun eigen creatie. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden was het gevolg van het Congres van Wenen. Pruisen deed in het belang van de Europese stabiliteit afstand van de Zuidelijke Nederlanden. Maar de Zuidelijke Nederlanden werden ook na de vorming van een Verenigd Koninkrijk met de Noordelijke Nederlanden, nog beschouwd als Pruisisch grondgebied. Willem I had de moeilijke taak duidelijk te maken dat hij nu de hoogste soevereiniteit in handen had. Hij heeft zich dan ook heftig verzet tegen het initiatief vanaf Pruisische zijde om Pruisische troepen in de Zuidelijke Nederlanden te stationeren. Deze troepen moesten de jonge staat beschermen tegen een eventuele tweede invasie vanuit Frankrijk.
Nieuwe afzetmarkten
Willem I hechtte erg veel waarde aan de buitenlandse politiek. Zijn ideeën op dit vlak werden sterk beïnvloed door zijn expansionistische ambities. Zelfs toen hij Nederland had weten uit te breiden met België en Luxemburg, bleven deze verlangens sterk aanwezig. De vorst zou het liefst zien dat zijn vorstendom zou worden uitgebreid in Duitse richting tot aan de Rijn. Niet alleen voor Europa koesterde hij expansionistische wensen, ook op de andere continenten zag hij kansen liggen voor uitbreiding[11].
Het buitenlandse beleid werd actiever en er werd zelfbewuster opgetreden. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden verwierf een internationale status op de oceanen. Bij de actieve buitenlandse politiek van de koning hoorde ook het ontdekken van nieuwe afzetmarkten. Uitbreiding van de Nederlandse afzetmarkt werd door Willem beschouwd als cruciaal voor de positie van de Nederlandse handel. De sterk groeiende economie van het Verenigd Koninkrijk maakte dit verlangen nog sterker. Vooral in de eerste helft van de negentiende eeuw was de economische situatie erg positief. De koning had verschillende ambitieuze plannen, waaronder het stimuleren van de overzeese handel. Willem was de drijvende kracht achter het oprichten van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM). Hij investeerde ook veel van zijn eigen kapitaal in deze onderneming[12].
Op Zijner Majesteits besluit van den 29ste maart 1824 opende de inschrijving tot deelneming in deze maatschappij[13]. Het doel der maatschappij is de bevordering van den nationalen handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij en landbouw, fabrieken en trafieken, en zulks, door, met in achtneming van hare eigene belangen, de bestaande en voor Nederland voordeelige handels-betrekkingen uit te breiden, nieuwe wegen voor den Nederlanschen Handel te openen, en door al zulke ondernemingen, welke het vertier der voortbrengselen van de Nederlandsche Nijverheid kunnen vermeerderen en bevorderen[14].
1.4 De Nieuwe Wereld
Beeldvorming over Latijns-Amerika
In Europa bestond een lange traditie van positieve beeldvorming over Latijns-Amerika, teruggaand tot de allereerste ontdekkingsreizen. De verhalen over de zojuist ontdekte ‘Nieuwe Wereld’ genoten een grote populariteit in Europa. Deze literatuur had een grote invloed op de denkbeelden die ontstonden over dit continent. Columbus was de eerste die Europa op de hoogte stelde van het bestaan van de Nieuwe Wereld. Hij schiep in zijn brieven aan de Spaanse troon het beeld van een paradijselijk land. In zijn eerste brief gebruikte Columbus het woord ‘goud’ maar liefst drieëntachtig keer. Deze ideeën over het ‘goudland’ werden door de andere conquistadores in stand gehouden. Het schetsen van dit positieve beeld had tot doel de Spaanse troon te overtuigen van het nut van hun investeringen in de expedities. De verhalen werden met commerciële doeleinden voor ogen gecreëerd en in stand gehouden. Deze fantasieverhalen vormden de basis voor het beeld dat in Europa ontstond over Latijns-Amerika.[15]
Er ontstonden hooggespannen verwachtingen toen de voormalige Spaanse koloniën onafhankelijk werden. In Europa was het enthousiasme groot, omdat de ‘goudlanden’ eindelijk ook open kwamen te liggen voor andere handelsnaties.
De Engelse zakenwereld werd gekenmerkt door een positieve kijk op het zojuist ontsloten ‘goudland’. Rond 1800 bestonden er ook in het Koninkrijk der Nederlanden zeer hoge verwachtingen over de handelsbetrekkingen met Mexico.
Er ontstond een ware mythe over de rijkdom van Mexico, het werd beschouwd als een land dat tot de vruchtbaarste ter wereld behoorde. Bovendien zou het land ook grote minerale rijkdommen bezitten[16].
Handel op Latijns-Amerika
Het was de wens van Willem I om zijn Verenigd Koninkrijk weer te laten schitteren in de overzeese handel. De oude glorie van de Republiek moest weer worden hersteld. Met het samengaan van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden waren de kansen om het centrum van de wereldhandel te worden, toegenomen. De Nederlanden konden een rol van betekenis gaan spelen, de Noord Nederlandse scheepvaart vervoerde producten uit de industrieën van de Zuidelijke Nederlanden. Willem was voorstander van heroriëntatie. Volgens de Koning boden de voormalig Spaanse en Portugese kolonie in Latijns-Amerika grote mogelijkheden. Deze gebieden hadden juist hun onafhankelijkheid uitgeroepen, waardoor het handelsmonopolie van de Spanjaarden en Portugezen ten einde was gekomen. Deze ontwikkeling aan het begin van de negentiende eeuw, bood nieuwe mogelijkheden voor andere handelsnaties. Voor het Verenigd Koninkrijk bood Latijns-Amerika nieuwe afzetmarkten voor Zuid Nederlandse producten[17] zoals: Edammer kaas, jenever en stearine kaarsen uit Gouda[18].
Speciaal voor de handel op Latijns-Amerika richtte de koning de Nederlandsche Handel Maatschappij (N.H.M.) en later de West-Indische Maatschappij op. De koning had gehoopt dat de Nederlandse handelaren de weg naar Latijns-Amerika zelf wel zouden vinden. Toen deze initiatieven achterwege bleven, investeerde de koning zelf in een handelsmaatschappij. Zo hoopte hij de eerste initiatieven tot handel met deze nieuwe contreien op weg te helpen.
Antwerpen ontwikkelde zich dankzij de groeiende Zuidelijke industrie tot de belangrijkste havenstad voor handel met Midden en Zuid Amerika. In het jaar 1829 bezochten 169 volgeladen schepen deze haven, terwijl er in Amsterdam en Rotterdam samen, slecht 96 schepen de haven binnenliepen[19]. Maar Amsterdam bleef voor de handel met Suriname en Guyana wel de voornaamste aanvoerhaven. De handelswaar uit Midden en Zuid-Amerika bestond voornamelijk uit suiker, dierenhuiden, koffie en katoen.
1.5 Mexico onafhankelijk
De eerste contacten
Vanaf 1810 was Mexico verzeild geraakt in een onafhankelijkheidsstrijd tegen haar koloniale overheersers. Willem bekeek deze ontwikkelingen met een zekere sympathie voor de rebellen[20]. Eindelijk zou Mexico toegankelijk worden voor Nederlandse handelaren. Sinds 1521, toen Cortez het Keizerrijk Mexico veroverde, had Mexico onder Spaanse heerschappij gestaan. Het zelfstandig worden van deze kolonie zou grote economische voordelen voor de Nederlandse handel hebben.
De handelsmogelijkheden van de ‘Koningkoopman’ werd echter beperkt door de Europese mogendheden. Pruisen, Rusland en Oostenrijk-Hongarije waren fel tegen de onafhankelijkheid van de Latijns-Amerikaanse landen. Willem, die zijn koninkrijk aan hen te danken had, kon niet anders dan de keuze van deze grootmachten respecteren. Hij steunde daarom ook de pogingen van de Spanjaarden om hun kolonie te behouden[21].
De wapenhandel
Deze politieke steun kon echter niet verhinderen dat de Nederlanden wel degelijk handel dreven met de rebellen. Ten tijde van deze eerste handelscontacten, was er sprake van handel in: wapens, munitie en kruit. Deze producten speelden een grote rol in de handelscontacten tussen de Nederlandse kooplui en de Mexicanen. De wapenindustrie in het Koninkrijk produceerde vele wapens.
De Nederlanden profiteerden van de opstand in Latijns-Amerika tegen de Spaanse overheersing. De Nederlandse houding stootte de Spaanse zaakgelastigde José María Pando tegen de borst. Tussen 1816 en 1817 had hij verschillende gesprekken met de minister van Buitenlandse Zaken A. W. C. baron van Nagell van Ampsen. Er werd uiteindelijk een nogal zwak compromis gesloten, De Nederlanden verbood de uitvoer van wapens maar er werd de Spanjaard geen garantie op de naleving van het verbod gegeven[22].
De Rotterdamse onderneming: Mees, Boer & Moens, kreeg de opdracht tot het leveren van 20.000 geweren aan de opstandelingen[23]. De Nederlandse regering werd op de vingers getikt door de leden van de Heilige Alliantie: Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Pruisen en Frankrijk. Deze landen deden er alles aan om een overwinning van de rebellen te verhinderen.
Net zo als bij andere landen in Latijns-Amerika gold ook voor Mexico dat de wapenhandel een belangrijke plaats innam. De wapenverkoop stond echter niet altijd garant voor het behalen van grote handelssuccessen. Dit blijkt uit een verslag van de Nederlandsche Handel-Maatschappij. In 1825 stuurde koning Willem I een van zijn eigen schepen, de Koning der Nederlanden, naar de Mexicaanse kust. Het schip was geladen met 6000 geweren. Men nam aan: ‘…dat ze in deze woelige streken bijzondere aftrek zouden vinden, doch het viel tegen en de Koning der Nederlanden was gedwongen van haven tot haven met zijn geweren te leuren.[24]’
Positieve kijk op Mexico
‘Geen land kwam meer voor ondernemingen in aanmerking dan het veel belovende Zuid-Amerika. Van zijn onmetelijke schatten zou ook Nederland zijn deel hebben.[25]’
Gedurende de eerste decennia van de negentiende eeuw koesterde men grote verwachtingen ten aanzien van de handel met Zuid Amerika. Vooral de koning was ervan overtuigd dat de handel veel voor Nederland te bieden zou hebben. Hij wist de directie van de NHM mee te krijgen in zijn enthousiasme. Er werden maar liefst twaalf handelsondernemingen, allemaal tegelijkertijd, opgericht. De commerciële mogelijkheden die de landen zouden bieden, moesten door de Nederlandse ondernemingen optimaal kunnen worden benut. Rond het najaar van 1825 waren er al 20 expedities naar Zuid Amerika en West-Indië vertrokken[26].
Koning Willem I en zijn minister van Buitenlandse Zaken Van Nagell en zijn minister van Koloniën Falck, zagen de handel op Mexico als belangrijk punt binnen hun ‘politiek systema’[27]. Het Verenigde Koninkrijk der Nederlanden zou hierdoor welvarender worden en een onafhankelijkere positie kunnen bemachtigen in de internationale politiek.
De koning had van Mexico bijzonder hoge verwachtingen. Normaal gesproken werden er schepen gehuurd door de NHM. Maar men verwachtte dat het handelsvolume met betrekking tot Mexico zo groot zou zijn, dat met het huren van schepen niet zou kunnen worden volstaan. Speciaal voor dit land investeerde de onderneming in een eigen schip. Een zojuist uit Java teruggekeerd schip, ‘de Sara’ werd gekocht en omgedoopt tot ‘de Koning der Nederlanden’[28].
Het opzetten van posten
Voor de ‘Handelskoning’ was het stichten van posten een essentieel onderdeel van het stimuleren van de handel op Latijns-Amerika. De koning was overtuigd van het belang van het opzetten van posten voor de Nederlandse handel. De handel had een punt van vertrouwen nodig in het buitenland.
Het gehele consulaire apparaat voor Latijns-Amerika moest nog worden opgebouwd. H. W. de Quartel heeft een hele belangrijke rol gespeeld in het opzetten van de dilomatieke betrekkingen met Mexico. Volgens het archief was hij een marine officier die een verkenningsreis maakte door Latijns-Amerika. In het jaar 1824 verkoos hij de Atlantische Oceaan boven de Nederlandse havens. Tijdens deze verkenningsreis werden ook nog andere Latijns-Amerikaanse landen aangedaan. De hele reis stond in het teken van het vinden van geschikte plaatsen om posten op te zetten. Het was pas in 1826 dat de Quartel terugkeerde in de Nederlanden en de koning op de hoogte kon stellen van zijn bevindingen. Zijn advies heeft een erg belangrijke rol gespeeld in de besluitvorming over de locaties van de op te zetten posten. Het is niet geheel duidelijk wat zijn aanbevelingen waren over Mexico. Wel is het zo dat hij berichtte over de locatie van Nederlandse handelsbelangen, namelijk te Vera Cruz en te Tampico.
Naar aanleiding van de verkenningsreis van de Quartel werd het diplomatieke apparaat voor Latijns-Amerika opgezet. De posten moesten een stimulans vormen voor Nederlandse handelaren om het onbekende Latijns-Amerika te verkiezen boven Azië.
De consulaten konden niet door de staat worden betaald, zoals in Engeland gebeurde. Maar dit vormde geen beletsel voor de ideeën van de koning. De handel op die gebieden zou zelf de kosten van de posten moeten dekken[29]. Men verwachtte niet dat dit een probleem zou vormen, aangezien er grote verwachtingen over de te behalen winst waren.
Toenadering tot Mexico
De Nederlanden zochten toenadering tot de jonge staat Mexico. Volgens de minister Van Nagell moesten de Nederlanden niet zonder meer tot erkenning overgaan. Dit zou wel eens noodlottige gevolgen kunnen hebben voor de Nederlandse handel. De Verenigde Staten en Engeland waren geduchte concurrenten in de strijd om de Mexicaanse handel. Door kapitein-luitenant-ter-zee De Quartel naar Mexico te sturen, hoopten de Nederlanden tot toenadering tot Mexico te kunnen komen en haar handelspositie te kennen versterken.
De Quartel kreeg, voor zijn verkenningsreis voor het opzetten van posten in Latijns-Amerika, een opdracht van de koning mee. De kapitein moest de Mexicaanse regering wijzen op de Nederlandse welwillendheid tot handel. De aandacht moest worden gevestigd “op de gunstige gezindheid van het Nederlandse gouvernement jegens alle volken, die er zich op toeleggen om zelfstandig en vreedzaam hun toestand door de nuttige bedrijven van commercie en scheepvaart te verbeteren[30]”. Dit was een vrij positieve opmerking ten aanzien van de juist onafhankelijk verklaarde staat. De koning benadrukte in deze uitspraak dat het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden de onafhankelijkheid steunden. De koning deed hiermee een gedurfde uitspraak, des te meer omdat Spanje de handel met staten van Spaans-Amerika nog niet had vrijgegeven. De koning uitte openlijk zijn steun aan de opstandelingen.
Geen erkenning
Op 6 november 1813 werd in Mexico de onafhankelijkheid uitgeroepen. Maar de Mexicaanse staat werd door de Europese grootmachten niet als zodanig erkend. De koning van de republiek der Nederlanden moest in de jaren daarna dus erg voorzichtig zijn in het aanknopen van bilaterale betrekkingen met Mexico. De minister van Buitenlandse Zaken, Van Nagell wees de koning erop dat men door het benoemen van consuls een staat niet alleen de facto erkende, maar ook de regering erkende[31].
Op 25 september 1824 ontving de minister van Buitenlandse Zaken, Van Nagell, de Mexicaan Edouard de Gorostiza. Spanje had inmiddels de handel op Mexico vrijgegeven. De Mexicaanse afgezant was door zijn regering gezonden om zowel staatkundige als economische betrekkingen aan te knopen. Volgens hem was Mexico ‘het land bij uitstek voor de Nederlandse handel, er heerste al drie jaar volmaakte rust en waren er maar liefst zeven miljoen inwoners die grote behoefte hadden aan Nederlandse produkten[32]’.
De staatkundige betrekkingen konden nog niet worden aangeknoopt, omdat de onafhankelijkheid van Mexico nog niet door andere grootmachten was erkend. De koning wilde erg graag handelsbetrekkingen aanknopen. Maar de zwakke internationale positie van het Koninkrijk der Nederlanden verhinderde koning Willem I de afgevaardigde te erkennen. Er bestond namelijk het gevaar dat de “goede verstandhoudingen tusschen Nederland en Spanje[33]”zou worden verstoord. Het oordeel van de Europese mogendheden moest worden afgewacht. Hierdoor kon de koning de Mexicaanse De Gorostiza niet in enige officiële hoedanigheid erkennen. Het duurde nog twee jaar voordat de onafhankelijke positie van de Spaanse kolonie door de Europese mogendheden werd geaccepteerd. Pas in mei 1826 durfde de Nederlandse regering over te gaan tot officiële erkenning.[34]
Wel zorgde de ‘Koningkoopman’ er in de tussentijd voor dat De Gorostiza met de directie van de Nederlandsche Handel-Maatschappij ging praten. Zo kon de maatschappij er precies achterkomen welke Nederlandse goederen het meest gewild waren in Mexico.
In 1824 was het Spaanse gezag niet langer vertegenwoordigd op het Mexicaanse vasteland. In 1825 sloot Groot-Brittannië een vriendschaps- en handelsverdrag. Hiermee erkende het land de onafhankelijkheid van Mexico.
Nederland wilde haar kans niet laten liggen. De oorlogsverwoestingen waren reusachtig en er moest veel herstelwerk worden verricht. Plantages waren vernield en mijnbouwinstallaties kapot gemaakt. De Engelsen waren er als eersten bij om de markt te veroveren. Groot-Brittannië had ook ten tijde van de oorlog handel gedreven met de opstandige staten. Nederlandse handelaren hadden dit door de internationale druk niet kunnen doen. Nederland had de moeilijke taak om te proberen een deel van de handel naar zich toe te trekken. Engeland was het enige land dat door haar onafhankelijke positie, in staat was zelfstandig op te treden. Zodoende kon Groot-Brittannië de onafhankelijke staten van Latijns-Amerika erkennen. In 1825 werden Vriendschaps- en handelsverdragen met verschillende Latijns-Amerikaanse landen gesloten. Dit was een belangrijk moment omdat de landen hierdoor voor het eerst als onafhankelijke staten werden erkend.
Het liefst zag Willem dat Nederland ook een verdrag sloot met Mexico. Groot-Brittannië, als andere grote handelsnatie was de concurrent van de Nederlanden. Willem I vreesde dat de ‘Nieuwe Wereld’ betrekkingen met Groot-Brittannië aan zou gaan. Nederland kon niet over gaan tot officiële erkenning of het sluiten van verdragen. Desalniettemin probeerde de koning toch duidelijk te maken dat Nederland de Latijns-Amerikaanse landen steunde. De buitenlandse politiek werd gekarakteriseerd door balancerend manoeuvreren. Om niet achter te blijven bij Groot-Brittannië knoopten de Nederlanden consulaire betrekkingen aan. Het land werd niet officieel als onafhankelijk erkend maar Charles Higgens werd namens de Nederlanden wel benoemd tot Consul-Generaal voor Mexico-Stad. Zijn functie in dienst van de Nederlandse regering was maar van korte duur, al na een jaar werden zijn taken overgenomen door de Nederlander E.T. Grothe, die tevens de rang van Consul-Generaal kreeg.
Panama congres
Kolonel Jan Verweer van de Generale Staf werd in 1826 naar het Panama congres gestuurd. Dit werd georganiseerd door de juist onafhankelijk geworden staten van Latijns-Amerika. Dit was een vrij moedige daad van de Nederlandse regering. Afgezien van Groot-Brittannië, waren er geen andere Europese vertegenwoordigers aanwezig. Willem liet zijn voorzichtigheid om de grootmachten niet tegen de haren in te strijken, varen. Door het sturen van een Nederlandse vertegenwoordiger zette hij zijn eigen internationale politiek uit. Maar de Nederlanden hadden niet dezelfde bewegingsvrijheid als Groot-Brittannië, en moesten rekening houden met de gevolgen van hun daden. De goede verstandhoudingen in Europa mochten niet in gevaar komen. De Nederlanden stuurden daarom een kolonel als afgezant. Door het sturen van iemand met deze rang wilde Willem provocatie voorkomen.
Nederland werd beloond voor haar politieke gemanoeuvreer. De Latijns-Amerikaanse landen van het Panama congres beloofden preferentiële handelsakkoorden aan Nederland. De landen waren erg onder de indruk van de Nederlandse vertegenwoordiging, de enige van het Europese vasteland. Na zijn terugkeer in de Nederlanden vertelde kolonel Jan Verweer de koning over het overweldigende enthousiasme waarmee hij op het congres in Panama was onthaald. De veelbelovende retoriek van de staatshoofden overtuigde Verweer ervan dat er gouden kansen op de Nederlandse handelaren lagen te wachten. Ook overtuigden de landen Verweer ervan dat Nederland altijd hun favoriete land was geweest omdat de Nederlanders ook tegen de Spaanse overheersing had gestreden. De net onafhankelijke staten zagen Nederland als hun grote voorbeeld[35], dat na het verwerven van zelfstandigheid een goed functionerende republiek had weten op te zetten, met een geweldige economische groei in de 17e eeuw. In de krant El Censor was te lezen dat de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden was ontstaan door strijd van ‘heldhaftige Hollanders tegen Spaanse woestheid’. Willem van Oranje en de Watergeuzen dienden ter inspiratie van de vrijheidsstrijders[36].
Jan Verweer werd door zijn aanwezigheid op het Panama congres, erg optimistisch over de mogelijkheden die Latijns-Amerika te bieden had. Hij wist dit enthousiasme over te brengen op Willem I. De mooie retoriek en de beloftes tot preferentiële handelsakkoorden zorgden ervoor dat de koning een groot voorstander werd van handel op Latijns-Amerika. Het optimisme van de koning omtrent de toekomstmogelijkheden met Mexico was grotendeels het gevolg van de enthousiaste verhalen van Jan Verweer. Kosten nog moeite werden gespaard voor het opzetten van deze handelsbetrekkingen. De koning werd de grootste voorstander van de handel op Zuid- en Midden Amerika. Zelfs toen de resultaten tegenvielen en het optimisme voorbarig bleek, bleef de vorst geloven in de ongekende mogelijkheden.
Mexico en Nederland zochten toenadering tot elkaar, in Londen werd onderhandeld over een bilateraal handelsverdrag. De Nederlandse ambassadeur A.R. Falk te Londen, heeft zich erg ingezet om samen met de Mexicaanse afgezant te Londen, tot een handelsovereenkomst te komen.
Op 15 juni 1827 werd het ‘Tractaat der Bestendige Vriendschap, Scheepvaart en Handel’ gesloten tussen de Verenigde Staten van Mexico en het Koninkrijk der Nederlanden. Het verdrag heeft geen grote betekenis gehad voor de handel tussen de twee landen, maar op politiek niveau was het verdrag van groot belang. Dit Tractaat der Vriendschap heeft de prille bilaterale betrekkingen tussen de twee landen versterkt. De Nederlanden erkenden hiermee de soevereiniteit van Mexico terwijl dat officieel nog niet onafhankelijk was van Spanje. De Europese grootmachten, afgezien van Groot-Brittannië, erkenden de onafhankelijkheids- verklaring van Mexico niet. Het Nederlandse Koninkrijk kon dan ook niet zo ver gaan om het land als onafhankelijke soevereiniteit te erkennen, maar het erkennen van het verdrag had voor de jonge staat dezelfde betekenis.
Het handelsverdrag werd in 1827 gesloten zonder dat Nederland de Mexicaanse Republiek officieel erkende. Toch ontving het ministerie van Buitenlandse Zaken een boze brief op 18 juni 1828 van de Spaanse gezant in Nederland. De Minister van Buitenlandse Zaken Verstolk van Boelen schreef een brief terug waardoor de verstandhouding tussen Nederland en Spanje ongeschonden bleef.
De Nederlanden versterkten hun positie als steunpilaar voor het nieuwe bewind door diplomatieke betrekkingen aan te knopen met de regering van Mexico. Op 1 juni 1828 werd de consul-generaal E.T. Grothe ook nog benoemd tot zaakgelastigde. Nu bestonden er naast economische ook staatkundige betrekkingen.
Toen Grothe tot zaakgelastigde was geaccrediteerd namen zijn bevoegdheden toe, maar uit de archieven blijkt hier weinig van. Grothe had nu niet alleen consulaire bevoegdheden maar ook diplomatieke bevoegdheden. In de periode van voor de Tweede Wereldoorlog, was er sprake van een strakke scheiding tussen de diplomatieke en consulaire diensten. Een consul behartigde de belangen van de onderdanen en bevorderde de economische relaties. Diplomaten behartigden de belangen van hun regering bij een vreemde mogendheid[37].
Grothe hield zich ook na zijn benoeming tot zaakgelastigde nog met precies dezelfde zaken bezig als voor zijn benoeming. Diplomatieke taken heeft hij niet tot nauwelijks uitgevoerd, zijn taken bleven gericht op het economische vlak. Interesse in de Mexicaanse politiek toonde hij nauwelijks, wel zijn er in het archief veel brieven van zijn hand die vertellen over de economische ontwikkelingen in Mexico. Zo schrijft hij over de exploitatie van Mexicaanse mijnen, de stoomvaart in Tampico en de Mexicaanse in- en uitvoer tarieven[38]. Hieruit blijkt dan ook dat hij vooral tot taak had de bilaterale handelsbetrekkingen te stimuleren. Dit sloot ook aan bij de ideeën van de ‘Koningkoopman’. Het ging in deze eerste periode vooral om het ontwikkelen van economische betrekkingen.
In dezelfde periode werden de consulaire betrekkingen vanuit de Nederlanden uitgebreid door in 1826 een consul aan te stellen in de havenstad Vera Cruza[39] en in 1830 een consul te benoemen in de havenstad Tampico[40].
Nadat Europese landen de Mexicaanse Republiek hadden erkend, verloren de diplomatieke betrekkingen aan prioriteit. Het initiatief tot het aanknopen van betrekkingen ging in deze periode vooral uit van de Nederlandse regering. Het was in Mexico’s belang om afgevaardigden te hebben in Europese landen, maar dit had niet de prioriteit van de juist onafhankelijk geworden republiek. Het gehele land moest na de oorlog weer worden opgebouwd.
Consulaire betrekkingen
Een consul werd aangesteld door de Nederlandse regering maar kreeg niet betaald voor zijn diensten. Het betrof hier dan ook vaak een erebaan. Consuls genoten al een bron van vaste inkomsten. Wel was het zo dat ze recht hadden op de opbrengsten van de kanselarij. Vaak was een consul al actief in de regio, in de meeste gevallen bezat hij een handelsmaatschappij. Een benoeming tot consul vergrootte zijn aanzien en zijn invloed in het gebied. E.T. Grothe voldoet aan deze omschrijving, ook hij woonde reeds in Mexico en beheerde een particuliere handelsonderneming.
Het opzetten van het consulaire en diplomatieke apparaat was een nieuwe aangelegenheid, waarbij niet altijd de meest bekwame mensen op de posten kwamen te zitten. Hans Vogel stelt in zijn boek: ‘Nederland en de Nieuwe Wereld’ dat veel nieuwe diplomaten van een ‘volstrekt middelmatig of erger’ niveau waren. Deze stelling lijkt bevestigd te worden door archiefonderzoek. De Consul-Generaal en Zaakgelastigde Grothe toonde wel een goede inzet maar bezat geen financieel inzicht. Hij wist zich zo in de schulden te werken dat hij in 1832 geen andere uitweg zag dan Mexico te ontvluchten. Het ministerie van Buitenlandse Zaken hield er nog een lange correspondentie met de Mexicaanse regering aan over. De Nederlandse regering was in diskrediet geraakt. De goede verstandhouding moest weer worden hersteld. Tot 1837 is er correspondentie geweest tussen de twee regeringen over de schulden die in Mexico nog openstonden.[41]
Het positieve beeld dat al eeuwen in Europa heerste over de schatten van Latijs-Amerika, kwam niet overeen met de werkelijkheid. Het kenmerkende optimisme sloeg om in scepticisme. In 1825 en 1826 deed zich zelfs een ernstige handelscrisis voor. De buitensporige verwachtingen in Engeland leidden tot chaos waarin men “alle perken van gezonde berekening[42]” te buiten was gegaan.
De Mexicaanse economie ontwikkelde zich niet zo voorspoedig als verwacht, desalniettemin bleef de koning positief. De directie van de Nederlandsche Handelmaatschappij deelde de hoge verwachtingen van de koning niet.
Mexico wist de hooggespannen verwachtingen omtrent haar economische mogelijkheden niet waar te maken. De zaakgelastigde en consul-generaal Grothe maakte dan ook melding van de ongunstige Mexicaanse handel en de chaos van de Mexicaanse staatskas, in brieven aan het ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij heeft dit dan ook zelf aan den lijve ondervonden, zijn handelsonderneming liep niet goed en hij werd gedwongen zichzelf in de schulden te steken. Uiteindelijk liep dit zo uit de hand dat hij in Mexico een schuld van 4000 piaster had opgebouwd[43]. Bij de Nederlandsche Handel-Maatschappij stond echter ook nog een bedrag van 50.000 gulden van hem open.
In de Nederlanden rezen de uitgaven met betrekking tot Latijns-Amerika de pan uit. Er werd veel geld uitgegeven aan het opzetten van consulaire netwerken in Latijns-Amerika. De grote bedragen die hiermee gemoeid waren, tonen aan dat er een groot vertrouwen bestond in de noodzaak van deze investeringen. Men was er blijkbaar van overtuigd dat de hoge kosten die de posten met zich mee brachten uiteindelijk in het niet zouden vallen bij de economische voordelen die verbeterde handelsbetrekkingen de Nederlanden zouden brengen. In het jaar 1830 werd het Fonds ter bevordering van de Nationale Nijverheid voor het eerst genoemd. De initiatiefnemer van deze organisatie was wederom koning Willem I. Hij trachtte op deze manier de Nederlandse nijverheid op wereldniveau te tillen. Uit de bronnen blijkt dat het Fonds ter bevordering van de Nationale Nijverheid iets minder dan 500 000 gulden had geïnvesteerd ter bevordering van de Nederlandse vertegenwoordiging in Latijns-Amerika[44]. Dit was voor die tijd een gigantische investering.
Grothes vlucht uit Mexico betekende het einde van de eerste periode van diplomatieke vertegenwoordiging. Nederland besloot geen nieuwe diplomatieke vertegenwoordiger naar Mexico te zenden. Er waren teveel kosten mee gemoeid en er bestond geen hoop op verbetering van de handel. Voortzetting van de diplomatieke betrekkingen zou hoge kosten met zich meebrengen. Dit was niet rendabel voor een land waar nauwelijks winst viel te behalen. Deze periode werd dan ook gekenmerkt door het teruglopen van Nederlandse investeringen in Mexico.
De Mexicaan De Gerostiza bekleedde vanaf 1826 officieel de functie van zaakgelastigde, rond 1828 werd hij tevens tot consul-generaal benoemd. De Gorostiza ontving op 18 december 1828 van de Nederlandse regering zijn exequatur[45]. Hij bekleedde dit ambt echter maar kort omdat hij werd benoemd tot gezant van zijn regering in Groot-Brittannië. Vervolgens werd Sebastiaan de Mercado in 1829 aangesteld als de nieuwe zaakgelastigde te Den Haag. In maart 1830 overhandigde hij zijn geloofsbrieven. Op 20 september 1834 ontving het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn brieven van terugroeping[46]. Koning Willem I organiseerde in oktober een afscheidsaudiëntie.
Na het vertrek van De Mercado werd er geen nieuwe Mexicaanse gezant naar Den Haag gestuurd. Mexico zag geen reden om de eenzijdige vertegenwoordiging nog langer in stand te houden, de Nederlandse regering had geen behoefte getoond om een nieuwe afgevaardigde naar Mexico te sturen. De wederzijdse diplomatieke vertegenwoordiging tussen Mexico en Nederland kwam hierdoor ten einde.
De Nederlandse regering besloot na Grothes vertrek in 1832, geen nieuwe diplomatieke vertegenwoordiger voor te dragen. De consulaire vertegenwoordiging werd gehandhaafd omdat die niet uit de schatkist werd betaald zoals de diplomatieke vertegenwoordigers.
Ondanks het verbreken van de diplomatieke betrekkingen, bleven de contacten op consulair niveau voortbestaan. De Mexicaanse regering vestigde in 1839 een consulaat te Rotterdam[48]. Op 27 april 1839 werd het verzoek tot erkenning in Den Haag aangeboden. Op 5 juni 1839 werd de geloofsbrief aangeboden en werd Manuel Mansyro consul te Rotterdam. Zijn verblijf in Nederland was echter maar van erg korte duur, in augustus 1840 werd hij al weer overgeplaatst.
Hij werd opgevolgd door de Nederlander D. Rudig die in dienst van de Mexicaanse regering vice-consul te Rotterdam werd. Hij bleef dit ambt tot 1859 bekleden waarna hij werd opgevolgd door de heer P.J. van Ogtrop. Naar zijn naam doet vermoeden eveneens een Nederlander, die zowel vice-consul voor Rotterdam als voor Amsterdam was. Hij werd pas in 1864 opgevolgd door een Mexicaan die in Den Haag werd geaccrediteerd. Tot die tijd was van Ogtrop de enige officiële vertegenwoordiger in Nederland. Doordat hij werd opgevolgd door een consul, kwam de eerste periode van diplomatieke vertegenwoordiging ten einde.
De Nederlandse regering maakte gebruik van honoraire consulaire ambtenaren te Mexico-Stad, Vera Cruz en Tampico. Vice-consul M.T. Prioux schreef Den Haag in 1833 een brief met de mededeling dat de zaakgelastigde en consul-generaal E.T. Grothe Mexico plotseling verlaten had. Er is geen officiële verklaring te vinden waarin de reden staat van dit plotselinge vertrek. Na zijn vertrek werd Prioux, en later zijn opvolger I.V. Subervielle, de nieuwe waarnemer van het consulaat-generaal. Prioux deed een poging om een hogere status en een hoger salaris te bemachtigen. Toen hij in juni 1836 tijdelijk in Amsterdam verbleef, probeerde hij een promotie tot Consul-Generaal met een salaris van 6.000 gulden per jaar te bedingen[49]. Zijn verzoek werd afgewezen. Waarschijnlijk waren de extra uitgaven van de regering het grootste bezwaar. Prioux diende ook een ander verzoek in, n.l. om de Fransman A.P.I. Lestapis te benoemen tot onbezoldigd consul. Lestapis verliet in 1846 om gezondheidsredenen zijn post. Hij werd opgevolgd door de Nederlander R.N.I. Heidsieck. Deze man werd honorair consul ad interim te Mexico-Stad. Deze schijnbare kleine verandering in de bezetting van de posten blijkt na archiefonderzoek veel onduidelijkheden teweeg gebracht te hebben in Nederland. Op 2 Januari 1849 schreef de Minister van Buitenlandse Zaken, de heer Alightenvett een brief aan zijn gezant te Parijs[50]. Hij hoopte opheldering te krijgen over het welzijn van de consul Lestapis. Deze Fransman was in dienst bij de Nederlandse regering als consul te Mexico-Stad maar was om gezondheidsredenen naar Europa vertrokken. De Minister had het vermoeden dat Lestapis naar Frankrijk was gegaan, omdat hij daar de functie van kolonel van de Nationale Garde (Busses-Pyrenees) bekleedde.
De Minister schreef: “De Consul in de Hoofdstad, A. Lestapis, is in 1846 met verlof naar Europa gekomen, en zoo men meent bij Uwer bekend. Er blijkt niets van zijner terugreis of voornemens daartoe, terwijl een uitdrukking in eenen brief van den waarnemenden consul Heidsieck ter dezen opzigten enige onzekerheid doet ontstaan (…) Mogt Uwer H daartoe in de gelegenheid zijn, dan zoude ik wel gaarne vernemen, of en wanneer die Uwer naar Mexico denkt terugtekeren, en zoo hij daarvoor heeft afgezien, en alzoo zijn ontslag verlangt, of dan niet beter Heidsieck, een Nederlander die vroeger sterk door hem is aanbevolen (…) in zijn plaats zoude kunnen worden benoemd[51].”
Op 16 Januari 1849 kreeg de Minister antwoord van zijn gezant te Parijs. Lestapis verbleef momenteel inderdaad in Parijs. De afgezant had hem benaderd en gevraagd opheldering te geven. Lestapis had geen antwoord klaar op de vraag wanneer hij van plan was zijn werk weer op te nemen, wel wilde hij een hogere benoeming. Hij was echter bereid te wachten tot hij terugkeerde naar Mexico om daar dan de aanstelling van consul-generaal te krijgen.[52]
Op 30 januari 1849 dacht men bij het ministerie dat Lestapis na 3 jaar ziekteverlof, eindelijk terug zou keren naar zijn post. Heidsieck die zolang was belast met Lestapis taken, werd ingelicht over de mogelijk snelle terugkeer van de consul. “De Gezondheid van den Uwer Lestapis schijnt zoodanig versterkt, dat hij aan de terug reis naar Mexico denkt[53].”
Uit een brief van 22 juni 1849 blijkt echter dat Lestapis nog steeds niet was teruggekeerd naar zijn post. Lestapis presteerde het om al vanaf 1846 afwezig te zijn, zonder ook maar enige duidelijkheid te verschaffen over zijn terugkeer. In deze brief leek de Nederlandse regering ook voor het eerst te denken aan het aanstellen van een vervanger. De vice-consul Heidsieck werd genoemd als vervanger “mogt Lestapis buitenstaat zijn te wederkeren[54]”. De afwachtende houding van het ministerie van Buitenlandse Zaken valt op. Zelfs na 3 jaar afwachten, was er van daadkrachtig optrede is geen sprake.
Uiteindelijk werd er pas op 16 april 1850 een beslissing genomen. Per Koninklijk Besluit werd de heer A.P.J. Lestapis eervol ontslagen. Hij was op dat moment reeds 4 jaar afwezig geweest. De heer R.H.L. Heidsieck werd bevorderd tot consul, met bevoegdheid de twee vice-consuls te benoemen, namelijk: A.G. de Lascurain te Vera Cruz en Alvarado, en J. H. Dickenson te Tampico. [55]
Uit de correspondentie die te vinden is in het Nationaal Archief blijkt dat Heidsieck, na zijn benoeming tot consul al snel promotie wilde. Vanaf 1853 schreef hij aan het ministerie van Buitenlandse Zaken brieven over de consulaire rangen en zijn lage positie daarin als consul. Heidsieck was ervan overtuigd dat zijn handelen hierdoor werd beperkt. Als argumentatie droeg hij aan dat “zijn werkkring zich uitstrekt over het gehele gemenebest”. Dit is een belangrijk punt, omdat de hiërarchische rangonderscheidingen bij consulaire vertegenwoordigers vooral te maken had met de omvang van het ambtsgebied. Promotie tot de rang van consul-generaal moest in zijn ogen geen probleem zijn voor de Nederlandse regering temeer omdat er in Mexico al eerder consulaire vertegenwoordigers waren geweest met die rang. Heidsieck gebruikte zelfs citaten uit een brief om zijn promotie te rechtvaardigen. Dit blijkt uit een brief die de Minister van Buitenlandse Zaken aan de koning schreef. In deze brief stond vermeld dat Heidsieck een rapport daterend van 16 april 1850 aanhaalde om zijn gelijk te halen. In het rapport “staat dat het toen niet nodig werd gevonden hem dadelijk de titel van consul-generaal te geven” De minister schrijft aan de koning: “waaruit men schijnt te mogen afleiden dat men destijds het denkbeeld had het te gaan doen”.
Door zijn promotie zou zijn financiële situatie hetzelfde blijven. Het is gebruikelijk dat er op consulair niveau geen sprake is van een salaris. Heidsieck is hiervan op de hoogte, hij schreef dan ook dat hij “geen geldelijke beloning verlangt”. Hopende hiermee de bedenkingen van Buitenlandse Zaken over zijn promotie weg te kunnen nemen. Hij moest echter nog zeven jaar lang met Buitenlandse Zaken blijven corresponderen voordat het eindelijk zo ver was. Op 13 april 1857 kreeg Heidsieck de rangonderscheiding van consul-generaal. Hij bleef deze functie tot 1877 uitvoeren.
R. H. L. Heidsieck, de consul ad interim te Mexico-Stad schreef op 28 juli 1848 een brief als reactie op de ophanden zijnde benoeming van een nieuwe vice-consul. Op 12 juli 1848 werd hij door het ministerie van Buitenlandse Zaken op de hoogte gesteld van het plan de heer A.G. de Lascurain voor te dragen als vice-consul te Vera Cruz en Alvarado. De consul te Mexico-Stad, de heer Heidsieck reageerde verbaasd op deze benoeming. Hij zou willen “verzoeken mij enig bericht te verschaffen over J. H. Wesche die sedert 1841 bekent staat als consul van Vera Cruz en Alvarado, zonder dat het gebleken is dat hij zich niet aldaar zoude bevinden of verlangen zoude uitgegaan de betrekking te worden ontslagen.” Uit zijn reactie bleek dat de er al een vice-consul aanwezig was. Het ministerie bleek dus niet goed op de hoogte te zijn van de bezetting van haar posten in Mexico.
Op 22 juni 1849 ontving de koning een erg interessant bericht: consul Wesche bleek al jaren gestopt te zijn met het uitvoeren van zijn ambt. “In 1842 werd als consul voor Vera Cruz en Alvarado benoemd J.H. Wesche. Uit een gevonden brief is echter gebleken dat gemachtigde Uwer in 1843 zich te Puebla heeft gevestigd. Minister Buitenlandse Zaken zag zich genoodzaakt inlichtingen te vragen, ten gevolge waarvan alsnu gebleken is, dat de Uwer Wesche reeds bij vroegere vermiste brieven (…) verzocht heeft uit zijn betrekking te worden ontslagen. Majesteit wordt gevraagd toestemming te geven.” Blijkbaar is de ontslagbrief zoek geraakt waardoor het jarenlang niet bekend was dat de consul niet meer aanwezig was.
Bij het Koninklijk Besluit van 26 juli 1849 werd de heer J.H. Wesche eindelijk ontslagen. Dit gebeurde zes jaar na het verlaten van zijn post.
De correspondentie tussen het Ministerie van Buitenlandse Zaken en haar posten in Mexico liep niet altijd even soepel. In het jaar 1828 ontving het ministerie van Buitenlandse Zaken maar liefst tachtig brieven van de zaakgelastigde te Mexico. De koning en de West-Indische Maatschappij waren vol goede moed. Maar het uitblijven van een bloeiend handelsverkeer zorgde er voor dat het aantal brieven gaandeweg minder werd. In 1830 waren er ongeveer veertig brieven ontvangen en in 1832 was het afgenomen tot dertig. De handel met Mexico bleek zo teleurstellend dat deze in het begin van de jaren dertig al moest worden gestaakt[56]. Daarna nam het contact tussen het ministerie en de posten nog verder af.
Op 30 januari 1849 schreef de Minister aan de consul te Mexico-Stad, de heer Heidsieck: “Er is nog een consulaat in de Republiek, namelijk dat te Tampico, waartoe in den tijd E. Trancke is benoemd, van welk men niets verneemt (…) Zoo het Uwer mogelijk is te ontdekken hoe het, ter deze opzichten, aldaar gesteld is[57].” Een paar dagen daarvoor had de Minister over deze kwestie geschreven, dat de consuls te Tampico en Vera Cruze “in de laatste jaren niks van zich hadden laten horen[58]”.
Rob van Vuurde gaat zelfs zo ver om te zeggen dat sommigen consulaire ambtenaren in Latijns-Amerika hun ambt “uitsluitend op het geduldige papier van de Staatsalmanak leken uit te oefenen.[59]” Dit archiefonderzoek dat voor de totstandkoming van dit rapport is verricht lijkt deze stelling te onderbouwen. Het ministerie van Buitenlandse Zaken ontving slechts sporadisch bericht van haar vertegenwoordigers in Mexico. Volgens een DDI-rapport had deze eerste periode van diplomatieke vertegenwoordiging, zowel de diplomatieke- als de consulaire vertegenwoordiging maar weinig te betekenen gehad[60]. De betrekkingen hebben echter in politiek opzicht, het erkennen van de Mexicaanse staat als onafhankelijk, wel degelijk grote betekenis gehad.
II
DE TWEEDE PERIODE VAN DIPLOMATIEKE BETREKKINGEN
2.1 Binnenlandse politiek
De grondwet van 1840
Koning Willem I was erg tegen de herziene grondwet van 1840, die staatskundige veranderingen teweeg zou brengen. Het oude regeringssysteem waarbij de ministers slechts ’s konings dienaren waren, zou worden afgeschaft. Dit zou het einde betekenen van het zuiver koninklijke regiem. Sommige artikelen stonden koning Willem I zo tegen dat hij zei, in deze omstandigheden niet langer meer te kunnen regeren[61]. Ministers werden zelf verantwoordelijk voor hun besluiten, ook moesten ze voortaan alle koninklijke besluiten en koninklijke beschikkingen mede ondertekenen. Het zelfstandig optreden van de koning was hierdoor aan banden gelegd. Het nieuwe stelsel moest de autocratie onder Willem I voorkomen.
2.2 Buitenlandse politiek
Beleid van Buitenlandse Zaken
Het uiteenvallen van het Verenigd Koninkrijk kwam als een grote schok. België riep in 1830 de onafhankelijkheid uit. Hiermee kwam de hoop op een plek tussen de Europese grootmachten ten einde. Vooral voor de koning kwam dit besef hard aan. De Nederlandse staat was bijna gedegradeerd tot de rang van een derdegraads macht. Alleen het feit dat Nederland nog zo veel koloniën bezat, kon dit verhinderen. Maar juist deze overzeese gebieden en handelsbelangen maakten Nederland erg kwetsbaar voor internationale spanningen. Betrokkenheid in internationale conflicten moesten worden vermeden. Nederland trok zich terug in de neutraliteit.[62]
Nederland wilde tijdens conflicten geen partij kiezen. Politieke partijen in Nederland beschuldigden de Nederlandse regering dan ook van een weifelende of zelfs kruipende houding ten opzichte van de wereldpolitiek.
De koning deelde dit ongenoegen over het buitenlandse beleid. De minister van Buitenlandse Zaken, de heer Cremer ontmoette ook vanuit de Kamers veel weerstand tegen de Nederlandse houding. In de jaren zestig werd het laffe beleid dan ook niet gesteund en zo kon het gebeuren dat zijn begrotingen werden verworpen. De Winkler Prins spreekt zelfs van een “ernstige crisis” die ontstond tussen de minister van Buitenlandse Zaken en de Kamers[63]. Er bestonden dus verschillende meningen ten aanzien van de houding die Nederland moest aannemen tegenover de wereldpolitiek. De koning steunde het beleid niet en ging openlijk tegen zijn minister in, volgens hem moest Nederland een actieve buitenlandse politiek voeren. “Nederland hoe klein en zwak ook, moest strijden voor zijn eer en kon niet dulden dat het (…) vernederd werd door het systeemloze opportunisme der grote mogendheden[64]”
De Nederlandse regering hield vast aan het beleid van het neutraliteitsprincipe. Nederland probeerde zich te onttrekken aan de politieke conflicten. De vrijhandel moest volledig zeker worden gesteld, daarom wilde de regering zich niet uitspreken over bepaalde internationale kwesties. Het geloof in neutraliteit was zelfs zo sterk dat de noodzakelijkheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken zelfs ter discussie stond[65]. Strikte toepassing van het neutraliteitsprincipe ten tijde van oorlogen bezorgden Nederland de reputatie van pleitbezorger van vrede en neutraliteit in de internationale politiek. De Nederlandse belangen moesten ten koste van alles worden beschermd en alle mogendheden moesten te vriend worden gehouden.
2.3 Economische beleid
Economie van Nederland
De Grootnederlandse staat kwam door de Belgische Opstand in de zomer van 1830 ten einde. Willem weigerde zich hier bij neer te leggen, maar de militaire pogingen België terug te krijgen resulteerden slechts in een reusachtige staatsschuld[66]. Economisch gezien ging het erg slecht met Nederland, de zuidelijke industrieën hoorden niet langer bij Nederland. Veel bedrijven gingen failliet en de economie stagneerde. De Nederlandse politiek werd beheerst door financiële problemen. In 1842 moest er aan rente meer dan 47 procent van de begroting besteed worden[67]. Er werd zelfs gestopt met het uitgeven van de jaarlijkse Staatsalmanak. Van 1831 tot 1860 werd de uitgave van de staatsalmanak om bezuinigingsredenen gestaakt[68]. Volgens Kossmann kon een dreigend staatsbankroet nog net worden vermeden[69]. Er bestond weinig vertrouwen in een herstel van de situatie, vooral omdat Nederland nu gedegradeerd was tot een kleine mogendheid.
2.4 Mexico
Mexicaanse Keizerrijk
Na de Mexicaanse onafhankelijkheidsproclamatie, bleven buitenlandse interventies achterwege. De eens zo machtige Spaanse troon verloor haar greep op Latijns-Amerika. Een kleine groep Spaanse militairen viel de afvallige kolonie binnen. Ze moesten zich gewonnen geven toen ook hun laatste uitvalsbasis, een eilandje voor de kust van Vera Cruz verloren ging. De Mexicaanse republiek had haar onafhankelijkheid met succes weten te behouden.
De steun van de Verenigde Staten, weergegeven in de zogenaamde Monroe doctrine, hield de Europese grootmachten op afstand[70]. De Verenigde Staten hadden duidelijk gemaakt dat ze geen buitenlandse interventies duldden in Amerika. De Monroeleer ging uit van een scheiding tussen de Oude en Nieuwe Wereld[71].
De onafhankelijke status van de Mexicaanse Republiek kwam in 1861 in gevaar. De Franse keizer Napoleon III viel de jonge republiek binnen. De keizer droomde van een groot koloniaal rijk. Met dit beeld voor ogen bereidde hij een inval voor. Hij werd hierbij gesteund door Spaanse en Engelse troepen. De burgeroorlog in de Verenigde Staten van Amerika had het land teveel verzwakt. Zij kon haar buurland niet te hulp schieten tegen de overzeese invasie. Nadat de Franse troepen in Vera Cruz waren geland, trokken ze naar Mexico-Stad, het bestuurlijke centrum van het land. Het nieuwe regiem zou worden geleid door de broer van de Oostenrijkse Keizer, Maximiliaan von Habsburg. Maximiliaan voelde wel wat voor deze rol als keizer, nu zou hij net als zijn broer aan het hoofd komen te staan van een heus keizerrijk. Hij accepteerde het aanbod van Napoleon en werd in 1864 te Mexico-Stad tot keizer gekroond. Zijn macht bleek al snel zeer beperkt, het Mexicaanse volk erkende hem niet als soeverein vorst. Hij was niet in staat het land functioneel te regeren.[72]
Om zijn wankele positie te versterken, gebruikte hij de diplomatieke betrekkingen om steun te verkrijgen voor zijn bewind. Zijn gebrek aan erkenning vanuit het binnenland probeerde hij te compenseren door erkenning vanuit het buitenland. De officiële erkenning moest zijn zwakke positie als staatshoofd verhullen.
Koning Willem III
Gelijk na Maximiliaans inhuldiging werden verschillende Europese landen benaderd met het verzoek diplomatieke betrekkingen aan te knopen met het regiem. Het blijkt dat Don Francisco de Arrangoiz was uitgekozen om toenadering te zoeken tot de Nederlandse regering. In augustus 1864 werd de Nederlandse gezant te Brussel benaderd met het verzoek of Arrangoiz erkend kon worden als afgezant. De boodschap die de Nederlandse gezant te Brussel, meneer Gericks van Herwijnen, ontving was gericht aan koning Willem III. Er werd gevraagd of Arrangoiz op audiëntie kon komen bij de koning zodat hij zijn boodschap namens keizer Maximiliaan kon overbrengen. Ook werd er in de brief gevraagd of de koning Arranggoiz als buitengewoon gezant en gevolmachtigd minister van zijn keizer wilde erkennen[73].
De Nederlandse regering reageerde niet al te happig op dit voorstel. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken, de heer Cremers zond de brief die hij ontvangen had van zijn gezant te Brussels door naar de koning. Bij deze brief voegde de minister een briefje voorzien van kantekeningen over deze kwestie. Zo is er op een archiefstuk gedateerd 23 augustus 1864 te lezen dat, het de minister “wenschelijk schijnt dat heer Arrangoiz nog niet onmiddellijk als Gezant van Mexico toe te laten. In zaken, die zulke groote politieke gevolgen kunnen hebben als de erkenning van een nieuwe regering, moet Nederland niet vooraangaan, vooral niet wanneer het er geen direkt belang bij heeft, en wanneer er mogendheden zijn, die zulk eene erkenning niet gaarne zien, zooals in dit geval de Vereenigde Staten van Noord-Amerika.[74]” Cremers gaf het advies een afwachtende houding in te nemen, totdat duidelijk was of de andere grootmachten, en dan vooral Pruisen en Rusland, overgingen tot erkenning. Dit advies van de minister van Buitenlandse Zaken was in overeenstemming met het destijds heersende neutraliteitsdenken.
De koning liet duidelijk blijken dat hij de voorzichtigheid van zijn minister niet deelde. De directeur van het Kabinet des Konings verwoordde op 26 augustus duidelijk de opinie van de koning over deze kwestie. Zo schreef hij: “Het is Zijner Majesteit voorgekomen, dat het gevolg geven aan Uwer Excellenties…voorstel…naar ZM oordeel, eigenlijk, in den grond niets anders is, dan een negatief handelen, en onze Buitenlandse politiek steeds afhankelijk maken van andere Regeringen.[75]”
Uit dit stuk wordt duidelijk dat Willem III niet op één lijn zat met het Nederlandse buitenland beleid. De drang om angstvallig te willen vasthouden aan de Nederlandse neutraliteitshandhaving, leek hij niet te steunen. De koning was een voorstander van een nieuwe richting in het Nederlandse buitenland beleid. Een zelfstandig beleid dat daadkracht uitstraalde, een voortzetting van het beleid van zijn opa, koning Willem I. De afwachtende houding van de Nederlandse regering op het internationale vlak moest worden los gelaten. Zijn visie wordt duidelijker weergegeven in het stuk: “is Zijne Majesteit van oordeel, dat het voor Nederland nuttig kon zijn, een zelfstandig besluit te nemen.[76]”
2.5 Bilaterale betrekkingen
Diplomatieke betrekkingen
Minister Cremer kon niet om deze standvastige houding van de koning heen en wilde de confrontatie niet aan gaan. Op 30 augustus 1864 schreef hij aan zijn gezant te Brussel dat Arrangoiz welkom was. De tegenstrijdige ideeën tussen de koning en minister Cremers, tonen duidelijk de spanningen die er waren tussen de ministers en de koning. De nieuwe machtsverhoudingen waren nog niet uitgekristalliseerd. De koning zag zijn macht ingeperkt worden door nieuwe wetgeving. Willem III droomde echter nog steeds van de autocratische macht die zijn grootvader koning Willem I had bezeten. Willem III beschouwde, ondanks de gewijzigde grondwet, ministers nog steeds als afgezanten van hemzelf. Hijzelf bezat uiteindelijk de beslissende macht in Nederland. Dat dit tot de nodige botsingen en wrijvingen leidde is duidelijk, vooral met Thorbecke en met de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Toch slaagde de koning er geregeld in zijn wil door te drukken.[77]